Prins uit den vreemde - Het gevoel…

Een aantal jaren geleden raakte ik op een rondreis door Turkije uiteraard aan de zwembadbar van een hotel in gesprek met een politieman woonachtig in Zwartsluis. Aan mijn klanken hoorde hij dat ik "beneden de rivieren" kwam. Brabant. Onmiddellijk werd dat geassocieerd met het woord carnaval. Brabanders zijn carnavalvierders. Dat is natuurlijk onzin, want niet elke Brabander houdt van carnaval. Maar hij was zeer geïnteresseerd in dit volksfeest. Hij had er veel over gehoord, maar het nooit meegemaakt. Hij had gehoord dat ik al vanaf mijn zesde, ik deed toen voor het eerst mee aan de carnavalsoptocht in Oeteldoek, mijn ouders waren lid van carnavalclub De Spanjolen, met het georganiseerde carnaval bezig was. Ex-prins van de Artistieke Schuit, Technische Knarren in Den Bosch, ex-prins van Den Dungen , ex- voorzitter van Prinsenclub De Hopplukkers, PreZident en thans voorzitter van de Krantenwisseltrofee Noord-Brabant. Ik moest er dus veel van af weten. Wat bezielde mij om zoveel tijd te steken in de voorbereidingen van allerlei activiteiten in dienst van de carnavalsviering en –beleving? Het zoveelste koele pilsje werd ingeschonken en ik begon met het vertellen over de oorsprong van dit volksfeest in een temperatuur van dertig graden. Hoe meer ik verder in mijn verhaal kwam, hoe meer ik besefte dat het, ondanks mijn enthousiasme, eigenlijk maar plastische woorden waren. Ik stopte na een poosje en zei: "Weet je wat jij moet doen? Je komt carnavalszaterdag naar Schijndel. Je krijgt de sleutel van de voordeur, ik wijs de slaapkamer en de koelkast aan, geef je het carnavalsprogramma en dan bekijk je maar wat je doet. Je kunt met ons meegaan, maar je kunt ook met anderen mee of gewoon met je vrouw zelf gaan dweilen. Op dinsdagavond hoor ik dan wel wat jullie er van vinden. Ik denk dat je zo een beetje beleeft wat carnaval is." Inderdaad stond het echtpaar op zaterdag op de stoep. Het is met ons meegegaan naar diverse activiteiten en bijeenkomsten. Achter Schijndelse collega’s hoste de man mee op de markt en over de fontein en genoot als protestant van de carnavalsmis en andere feestelijkheden. Op dinsdagmiddag moest het weer terug naar het noorden. Bij het afscheid vertelde hij dat de dagen als een soort roes aan hen voorbij waren gegaan. Wat het nu precies was, konden ze niet zeggen. Nooit geweten dat het feest zo georganiseerd was dat het leek of dat iedereen zo maar wat deed. Het was film: één groots toneelstuk met een totaal eigen regie. Ogen en oren was men tekort te komen. Begrijpen? Neen! Noch hij, noch ik weten precies wat dat gevoelen nu eigenlijk is. Dat moet zo blijven. Het overkomt je en het gevaar is groot hoe meer je erover schrijft je het volksfeest kapot schrijft. Het is gelijk met het geloof: je gelooft of je gelooft niet. Je hebt het of je hebt het niet. Het is dan ook een utopie om te denken dat je elke Schijndelaar aan het carnavallen krijgt, zoals wij, de clubs, muziekskes etc. in georganiseerd verband dat beleven. Hoeft ook niet! Er zijn mensen die alleen naar een zittingsavond, een optocht, een buutbal, een carnavalsmis of kinderliekusfist gaan. Er zijn er bij die één avond, een middag of avond meeproeven van het feest. Men heeft daar zijn of haar redenen voor. Doordat de carnavalsdagen (helaas) in een vakantie zijn komen te vallen, heeft een aantal een wintersport op het lijstje staan. Gelukkig (voor de organisatoren van carnaval) gaan er stemmen op om die vakantie af te schaffen. Weer anderen kijken bedenkelijk naar de portemonnee. Een middag of avondje stappen kost toch een hele duit. En zo zijn er meer redenen waarom men niet tot op de bodem het carnavalsvat uitdrinkt.

Toch vieren de mensen allemaal op hun eigen manier carnaval. De senioren in hun soos of zorginstelling, schoolkinderen tijdens een optocht, gehandicapten op het gehandicaptenbal, kinderen rondhuppelend in een centrum of zaal van een etablissement, meedoen aan een optocht of er alleen maar naar kijken, optocht bekijken via de televisie, bladeren door de carnavalskrant, carnavalvieren in de kantine van hun sportclub en ga zo maar verder. Carnavalsclubs en muziekskes beleven op brede schaal het carnavalsfeest. Men maakt een bewuste keuze om bij een bepaalde club te gaan. Dat geeft nu eenmaal bepaalde consequenties. Als het strakke protocol van een Prinsenclub je niet aanstaat, moet je geen lid van die club worden. Wil je constant tonen uit je trompetje laten klinken, moet je bij een muziekgroep gaan. Dat is altijd zo geweest en zal ook zo blijven. Carnaval is immers plezier beleven aan hetgeen je doet, je hoort en ziet. Ik denk dat de laatste jaren teveel wordt gekeken naar de kwantiteit in plaats van de kwaliteit. Als het maar druk is, is het goed. Het inhoudelijke lijkt wel minder belangrijk. Vaak hoor je als eerste vraag aan iemand die ergens naar toe is geweest: "Was het druk?"

Dat neemt niet weg dat men regelmatig een aantal zaken binnen dat carnavalvieren onder een loep moet nemen. Een samenleving verandert nu eenmaal. Wat nu op een zittingsavond wordt gezegd, had je twintig jaar geleden niet hoeven te proberen. Dat niet te beschrijven en te verwoorden gevoel dat een carnavalsvierder ervaart, wordt vaak omschreven als een besmetting van een virus, een bacterie, een ziekte, carnavalitis.

Wat beweegt mensen toch om vele uren te besteden aan dat carnaval? Uren je instrumenten aan lippen of in handen, schrijven van buuts en liedjes, verzinnen van allerlei leuke acts voor zitting of optocht, de driekleur van Schorsbos om je nek of aan de gevel, in de kou de Hopbeljanus op de Markt een plaatsje geven, vele vergaderingen bijwonen, kleding maken, arrangementen schrijven en ga zo maar verder. Er moeten toch sterk motiverende krachten in die mensen werkzaam zijn die op wat voor manier dan ook een belangrijke bijdrage leveren aan het slagen van dit volksfeest? Ik denk gewoon terug aan de bar in Turkije. Het is moeilijk om daar nu een antwoord op te geven. We moeten, denk dat ook niet doen. Zelfs niet proberen. Carnaval overkomt je. Je doet het gewoon. Neen, je voelt dat je het moet doen.

Toch zijn er facetten aan dat carnaval die niet of nauwelijks veranderen. Je komt dan op het terrein van traditie. In de carnavalswereld hecht men waarde aan die traditie. De vraag is of men zich aan die traditie strak moet blijven vasthouden of moet je veranderingen propageren. Is elke verandering wel een goede? Hoe omzichtig moet je tewerk gaan als je ingrijpt in vaste protocollen, ceremonies etc.? Als een facet binnen dat carnaval niet naar wens verloopt, ligt dat dan ook aan een ander facet? Als je dat ene facet verandert, verandert dan ook daadwerkelijk dat andere facet? Om in de grote vraagstelling van deze notitie te blijven? Als je constateert dat er minder mensen op een bepaalde activiteit afkomen, ligt dat dan aan het feit dat je geen prins uit Schorsbos hebt of vindt een aantal mensen dat pilsje te duur? Allemaal zaken die m.i. goed tegen elkaar moeten worden afgewogen.