Prins uit den vreemde - Hoe het begon
De Provinciale Noordbrabantse en ’s-Hertogenbossche Courant gaat na 1882 jaarlijks de Bossche Vastenavonddagen onder leiding van de Oeteldonkse Club, gevierd, verslaan. Al gauw en regelmatig valt te lezen dat het er wemelde van de "vreemdelingen" (personen van buiten Den Bosch die carnaval in Oeteldonk kwamen vieren). Nol van Roessel schrijft: "En ook zij mogen voor een ook niet te onderschatten deel debet genoemd worden aan "buitensporig gedrag"". Dronkenschap en ander buitensporig gedrag van nogal wat mannen en vrouwen uit de arbeidersmilieus gaven aan het vieren van carnaval een nare bijsmaak. Er waren dan ook mensen die zich fel keerden tegen de feestviering van "heidendom" en "zondigheid". Van menig kansel, ook die van Schijndel, (pastor V.d.Brand heeft nog eens tijdens een carnavalsmis een oude preek tevoorschijn gehaald waarbij de leden van de Prinsenclub De Hopplukkers er bekaaid van af kwamen) werd carnaval als zeer negatief bestempeld. Die "vreemdelingen" echter bleven er komen en "vóór 1955 – het jaar dat in Schijndel de Prinsenclub De Hopplukkers werd opgericht – waren er diverse Schijndelaren die in Oeteldonk carnaval gingen vieren. Hun enthousiaste verhalen werkten zeer aanstekelijk op een aantal Schijndelaren dat regelmatig het etablissement De Hopbel bezocht. Het was dan ook daar dat enkele Schijndelaren op het idee kwamen om ook in Schijndel het vieren van carnaval- een afspiegeling van het carnaval in Oeteldonk – op poten te zetten. Dat was in die tijd een hele onderneming. "Ik herinner mij dat we op de eerste avond van het carnaval onze jassen over de carnavalskledij deden om op straat niet op te vallen," aldus Toon Jurriëns ex- en erevoorzitter van Prinsenclub De Hopplukkers die de geboorte van ons carnaval heeft meegemaakt. De notulen van de eerste vergadering van De Hopplukkers zijn met de pen in keurig handschrift geschreven.
Bij de geboorte van het carnaval in Schijndel valt een aantal zaken op. In het voorgaande komt men regelmatig de naam Den Bosch en Oeteldonk tegen. Dit is niet vreemd. Den Bosch is een van de steden – Breda (in mindere mate) en Bergen op Zoom zijn de twee andere – waar het feest carnaval al vele jaren op georganiseerde wijze werd gevierd. De voornoemde steden hadden echt het predikaat stad. Van Roessel: "Het was naar de normen van toen de enige plaats met de echte allure van wat voor dorpsmensen als een "stad" gold. Qua structuur, qua functie." Nu hadden Eindoven en Tilburg ook stadsrechten maar kwamen voor de kwalificatie "stad" niet in aanmerking. Of we het nu in Schijndel leuk vinden of niet: Den Bosch, Oeteldonk, had een grote aantrekkingskracht. Velen trokken vanuit ons dorp op woensdag en zaterdag naar de Bossche mert. Het was en is de stad van ons lieve vrouwke, er waren ziekenhuizen en scholen waar men kon doorleren, het was een garnizoensstad en de rechtelijke macht was er gevestigd. Men keek tegen Den Bosch op. Oeteldonk liet en laat ook duidelijk merken dat zij het bolwerk van carnaval is. Toonaangevend en dat mag gerust als men al ruim een eeuw carnavalsbloed door de aderen heeft vloeien. De prins heeft daar dan ook als officiële titel Z.K.H. Amadeiro Ricosto di Carnavallo, Ridder van het Reksam, Heer en Meester van Oeteldonk en deszelfs omliggende watervrije moerassen en zandwoestijnen enz. enz. Waar de omliggende dorpen en gehuchten bij horen laat zich niet al te moeilijk raden. Het is altijd kostelijk om te zien en te horen hoe elke gemeente zich op chauvinistische, humoristische en carnavaleske wijze afzet tegen Oeteldonk, maar ook ten opzichte van andere dorpen. Dat hoort bij de ambiance van carnavalvieren.
Let wel: als ik zeg dat onder de vreemdelingen ook Schijndelaren waren, mag men niet de conclusie doortrekken dat zij ook debet waren aan de uitspattingen zoals eerder vermeld. Ik zou niet durven. Alhoewel! In de Historie van het Oeteldonks Carnaval lezen we: "De drukte tijdens carnaval was dit jaar groter dan ooit. Maar daardoor ook het aantal vechtpartijen. In het Groot Ziekengasthuis moesten meer dan twintig gewonden worden verbonden. Maar, zo verklaarde burgemeeester Van Lanschot boos: "Naar ik verneem zouden dergelijke snij- en steekwonden bijna zonder uitzondering zijn toegebracht door menschen van buiten, boerenlummels die hier den boel op stelten zetten en hun vechtlust botvieren." Dat overigens alleen de arbeidersklasse zich aan die uitspattingen schuldig maakte, lijkt mij ook niet juist. Ook in de middenstand en de hogere klasse waren figuren die van wanten wisten!
Zoals al eerder is gememoreerd keerden pastoors zich middels een open brief die op de preekstoelen werd voorgelezen fel tegen het carnavalsgedoe. "Zelfs de boeren uit omliggende dorp tekenden openlijk protest aan, met name tegen de boerendracht van de carnavalsvierders. Ze beschouwden dat als een bespotting en minachting van de boerenstand. Afdelingen van de Jonge Boerenstand te Schijndel, Drunen en de Langstraat boycotten dat jaar de Bossche paasvee-tentoonstelling."
Den Bosch was dus toonaangevend en een voorbeeld. Het is dan ook niet vreemd dat de dorpen eromheen, die vele jaren later aan het fenomeen carnaval begonnen, zaken van Den Bosch hebben afgekeken. "Wat ze in de grote stad kunnen, kunnen wij ook!" aldus Jurriëns, die ook een aantal jaren voorzitter van De Hoge Raad is geweest.
Theo Jansen uit Venlo heeft een proefschrift geschreven over het carnaval in Brabant en Limburg. Daarin kunnen we lezen dat Schijndel behoort tot een van de oudste carnavalsdorpen.
Uiteraard moest Schijndel een carnavalsnaam krijgen. Die naam werd Schorsbos. Veel carnavalsnamen hebben betrekking op het heem en kunnen dan ook historisch worden verklaard. Ook werden "scheldnamen" als carnavalsgeuzennamen dankbaar aanvaard.
Het is dus niet vreemd dat bepaalde facetten van het dorpscarnaval over zijn genomen van de grote stad. Wèl gaf men daar weer een eigen cachet aan. Oeteldonk kent geen smoking en steken met lange veren. Schorsbos heeft zich wellicht laten beïnvloeden door het Rheinlandse (Duitse carnaval). Wèl hebben de eerste prinsen van Schorsbos het prinsenpak (pagekostuum) om hun lendenen gehad, maar al spoedig ging men over naar het rokkostuum voor een prins. De raad van elf in Berlicum draagt boerenkielen met een boerenpet op het hoofd. En zo heeft elke gemeente – en zo hoort het ook – een geheel eigen outfit maar ook een zeer persoonlijke viering van het carnaval. Dat maakt het carnaval als maatschappelijk en cultureel fenomeen zo aantrekkelijk en blijvend verrassend. Maar bovenal is het een feest dat op traditie is gestoeld. Dat brengt ons naar de overweging wat voor rol in Schorsbos de traditie met alles wat daar omheen zit speelt.