Prins uit den vreemde - … en het spel
In deze notitie ga ik niet in op verschijnselen als Vastelavond, Faseln, de oud-germaanse en klassieke elementen binnen de lenteviering die verbonden worden met de verchristelijkte van ´t vaarwel aan het vlees (carnevale). Ook daar zijn de meningen over verdeeld. Maar dat is een andere discussie. Op zich heel interessant, maar het zou te ver voeren om dit alles in deze compacte notitie aan de orde te stellen, daar we ons moeten richten op een concrete vraag.
Nol van Roessel slaat m.i. de spijker op de kop als hij schrijft dat carnaval alles heeft van een toneeluitvoering: een spel dat goed gespeeld moet worden. "De viering van carnaval kent "spelers" en "toeschouwers"". De ene groep speelt een actieve rol de andere een passieve. "Bij beide groepen van betrokkenen ontstaat die moeilijk te definiëren vermenging van "echt" en "onecht", van "vereenzelving" en "vervreemding", van werkelijkheid en spel."
We kunnen dus stellen dat een carnavalvierder een rol spéélt waarbij al of niet door een vermomming (type) wordt geholpen. Die vermomming, verkleding, is niet bedoeld om hem of haar onherkenbaar te maken, maar heeft als doel dat hij of zij zich een ander voelt. Er gebeurt iets met de persoon. Hij wordt prins, commissaris, nar, adjudant of minister of boer, monnik, elf of raadslid om maar eens enkele figuren te noemen. Een wisselspel dus tussen het eigen ik en het andere. Dat is echter één aspect.
Carnaval is èn individueel èn gemeenschappelijk. "Men kan zich afvragen: viert een mens een feest als carnaval in wezen (hetgeen iets anders is dan: in feite!) eigenlijk niet in zijn eentje? Doet hij dat niet temidden van en ondanks alle anderen als een eenling? Of is toch de echte kern van dat geluksgevoel, zijn of haar vreugde te kunnen delen met zovele anderen? Of ligt het nog gecompliceerder? En krijgen we – als bij een toneelstuk dus – de situatie, dat de acteur wèl in de cocon, of achter het masker van de door hem te spelen rol blijft, doch dat die rol tot leven komt mede door deelname van de toeschouwers en door de spanning die deze laatsten veroorzaken." Van Roessel kiest voor het laatste en ik kan met hem meegaan. Die ene figuur die in de optocht meeloopt en iets uitbeeldt, komt alleen uit de verf als dat de toeschouwer aan de kant van de weg opvalt. Een wisselwerking. Daarom heeft een activiteit van een carnavalsclub, in dit geval de Prinsenclub, veel van een toneelregie, die het inhoudelijk kader aangeeft waarbinnen het stuk moet worden gespeeld, alsook het daaraan beantwoordend decor laat ontwerpen, en verder alle andere voorwaarden schept, die het de acteurs (carnavalsclubs, muziekskes etc.) mogelijk moet maken het stuk dat carnaval heet te spelen.
Jammer dat zeker in ons dorp het dweilen van café naar café beperkt is geworden tussen enkel cafés. Een aantal etablissementen is verdwenen en die er nog zijn liggen ver van elkaar. Daardoor is dat dweilen beperkt geworden. Maar daar proberen we weer wat aan te doen. Bij dat van tap naar tap gaan treffen weer anderen en kan men voor een ander gezelschap zijn rol spelen. Improviseren, het tegenspel dat men krijgt. Levert gesprekken op "die boven het gewone klassineren uitstijgt om te reiken tot de toppen van het meesterlijk gedaas." Mits de klanken vanuit de muziekboxen dat mogelijk maken!
Er is een club nodig die dat decor schept, de lijnen uitzet, het feest markeert, het gewenste karakter van de eigen plaats neerzet. Dat alles samen met anderen. Bij een club als Prinsenclub De Hopplukkers, maar nu ook bij SMOK en de overkoepelende commissie die het carnaval onder de loep neemt, zullen wanneer belangen moeten worden afgewogen, het belang van dat wezenlijke van carnaval, dus in het belang van de traditie zeer zwaar moeten wegen. "Reden waarom een strak vasthouden aan de vanaf het begin ingenomen standpunten en aan een beproefd organisatiestramien zonder meer geboden is. Vooral als men bedenkt, hoezeer bij de huidige generaties elke band met de oorsprong van het lentefeest en met de kerstening daarvan in de katholieke vastenavondviering is verdwenen. Het carnaval is een feest geworden tussen de vele andere feesten. Die feesten krijgen we steeds meer. Waren vroeger carnaval en kermis twee unieke feesten, nu weten we niet meer tussen wat voor feesten we moeten kiezen waarvoor we uitgenodigd zijn! Wellicht is kwantiteit aan feesten ook debet aan een verminderd aantal mensen dat carnaval bezoekt. Teveel van het goede!
In het spel dat carnaval heet, behoort ook het spotten met personen en over zaken. Door middel van een rolverwisseling kon men adel, bisschoppen en priesters, burgemeesters en andere lieden en instituten die ver boven het gewone volk opereerden op de korrel nemen zonder daarvoor te worden gestraft. Binnen de kerken, kloosters en kastelen werd dat al gedaan. Die zogenaamde ge-institutionaliseerde spot werd van bovenaf toegelaten. Men zag het als een vluchtmotief, een ventilatie, door en voor onderdanen die op het gezag en de dragers ervan in meer of mindere mate kritiek mochten uitoefenen. Het gezag op de korrel nemen. Humor en satire. We vinden dit terug in buuts, redevoeringen op het gemeentehuis en op zittingsavonden. Maar ook tijdens de optocht wordt veelvuldig het gezag en de zaken die zij wel of niet verrichten op de korrel genomen. Overheden als burgemeester, raadsleden, politie, onderwijs, ministers, kerkelijke autoriteiten etc. zijn vaak het dankbare mikpunt. Dit tot groot vermaak van het publiek, de onderdanen van de prins. Ook de vroegere revues zaten vol stekeligheden. Door deze vorm van cabaret kan het volk stoomafblazen. De nar aan het hof kon dingen zeggen die anderen niet durfden zeggen. Men mocht er wel om lachen en dat luchtte op.
We zouden ons carnaval een bruisend en bont tableau vivant kunnen noemen, maar dan een in impressionistische stijl. Kleuren lopen in elkaar over. Niet alles is fotografisch weergeven. Er is een spel van kleur, licht en vormen. Dat schept een totaalbeeld. Wij spelen in dat schilderij allemaal een rol. Maar we moeten wel allemaal onze rol vervullen. De crew, het gezelschap, brengt een film of toneelstuk samen met de regisseur tot een goed einde. Als het publiek daarvan ook nog geniet, zijn we op de goede weg.